Het been

hetbeen1
Foto: Flickr

Het regent, de herfst is vroeg dit jaar. Trage druppels glijden langs de ruit naar beneden. Minoush staart ernaar. Haar ogen kunnen de druppels niet vasthouden. Steeds glijden ze weer uit haar blikveld. De natte kou van buiten houdt haar gevangen en bibberend trekt ze haar vest strakker om zich heen. Wie mooi wil zijn moet pijn lijden. Oma’s stem klinkt in haar hoofd. Meteen voelt ze weer het harde trekken aan haar haren wanneer de zoveelste hardnekkige klit er door oma uitgekamd werd. Die bitse woorden terwijl zij het uitgilde van de pijn. Minoush schudt haar hoofd. Dit korte blonde pagekopje is haar nieuwste experiment. Die Oma, ze had wel meer van die wijsheden die maar al te waar zijn. Het vest is een dun niemendalletje, roze katoen met een geborduurde rand. Een beetje kleine meisjesachtig. Minoush had ’t in een opwelling gekocht, om ook eens met de mode mee te doen ter afwisseling van haar eeuwig zwarte outfit. Veel warmte geeft het vest niet ondanks de felle kleur.
‘Bah, weer regen’
Uit de keuken komt het geluid van overkokende melk. Luid sissen vermengt zich met een ondragelijke stank. Een vage gaslucht drijft de kamer binnen. Nog steeds zijn haar ogen op de druppels gefixeerd. Buiten buigen bomen gehoorzaam mee met de wind, het groen van de bladeren krijgt hier en daar al een gouden randje. De wereld glimt van het verfrissende bad. Buiten huilt het en ik blijf droog van binnen. ‘Nou ja zeg, Minoush, zo kan die wel weer. ‘t Melodrama druipt van je af.’
Minoush trekt het vest nog strakker om zich heen en loopt langzaam richting keuken waar een witte ravage op haar wacht. De geur van aangebrande melk dringt haar neusgaten binnen. Met een boze ruk scheurt ze een stuk papier van de keukenrol en begint te deppen. Het restje melk is nauwelijks voldoende om de koffie in de blauwe beker te kleuren. Onmiddellijk komt een vettig vel boven drijven. Door scheef te houden blijft vel het plakken aan de binnenkant. De rafelige randen golven mee op de koffie. Met langzame teugen verdwijnt de koffie in Minoush’ keel. Als een warm beekje vindt het zijn weg door haar ijskoude lichaam. Zacht gejank onderbreekt haar gedachten vol zelfmedelijden. Met de staart tussen de poten sluipt Max naderbij. Wat zou er nou omgaan om in zo’n hondenkop? Waar is deze voorzichtige benadering aan te danken. Voelen honden de stemming van hun baasje aan of heeft Max gewoon geen zin om te gaan wandelen in de regen?
‘Ok, Max we gaan uit.’

Gehuld in haar oude zwarte regenjas en de capuchon diep over haar ogen, haar voeten in afgetrapte gympjes stapt Minoush naar buiten. Max glipt langs haar. De voordeur valt met een slag dicht in het slot. Nog voor het eind van het pad tilt Max zijn poot al op. Een eindeloze plas volgt. Minoush schuifelt onrustig heen en weer. ‘Kom op, beest.’
Regendruppels glijden precies langs de opening in haar kraag tussen haar borsten naar beneden. Na een felle ruk aan de riem loopt Max door. Onvermijdelijk sjokt hij achter haar aan richting park. Het gemeenteplantsoentje, dat door de dorpsbewoners met de weidse naam ‘Het Park’ gedoopt is, is eigenlijk niet veel meer dan wat miezerige struikjes rond een modderige vijver. Drie bekladde bankjes en een uitgebrande prullenbak maken het geheel er niet veel vrolijker op. Ooit bloeiden hier volop geurende rozen maar van de ene dag op de andere waren die gerooid en was de aarde omgeschoffeld. Navraag bij de gemeente vertelde het geijkte verhaal van bezuinigingen. Deze struiken hoeven maar een keer per jaar gesnoeid te worden en er hoeft geen onkruid gewied te worden. Minoush bukt zich om Max riem los te maken. Die aarzelt geen seconde en duikt weg in de struiken op zoek naar achtergebleven boterhammen of afgekloven klokhuizen. In het water zitten de eenden op een kluitje bij elkaar de snavels onder hun vleugels gestoken.

Opeens is al dat water haar te veel. Minoush schopt een steentje richting vijver. Ze schopt nog een keer en verliest haar evenwicht. Haar been maakt een rare draai, haar armen vliegen omhoog en met een harde krak komt ze op de grond terecht. Verder glibberend over het natte gras. Half hangend boven het water komt ze tot stilstand. Ze hapt naar adem. Een enorme pijn scheurt door haar heen. Haar linkerbeen ligt in een rare draai onder haar. Pijn beneemt haar opnieuw de adem. Voorzichtig schuift Minoush zich van de waterkant af. Zich afzettend met haar handen, klauwen haar nagels in het natte gras. Door haar rug te strekken is er enig evenwicht. Heel langzaam probeert ze haar tenen te bewegen. Dat lukt. Minoush probeert iets beter te gaan liggen, maar de pijn scheurt weer door haar heen.
Waar is Max? Die sufferd is weer nergens te bekennen. Vreet zich vast vol met verboden waar. Beetje bij beetje rolt Minoush zich op haar zij. Het ene been bungelt er bij. Ze trekt haar goede been op om erop te gaan staan. Maar het gras glibbert onder haar vandaan. Flats, haar hele lichaam ligt weer languit op de grond. Zand dringt onder haar nagels. De pijn vermengt zich met het zeurende gevoel in haar been. Het been dat er is en tegelijkertijd ook niet meer is.
Dit is hopeloos zingt het door haar heen. Ik kan niet eens overeind komen zonder hulp. Daar lig je dan op zondagmiddag. Geen hond die zich op straat waagt met dit weer Zie maar dat je hulp krijgt treitert het stemmetje in haar hoofd. Haar natte kleren drukken haar nog dieper de grond in. Alle kracht glijdt neer, de aarde verzwelgt alles. Jammerend en schuddend ligt ze daar. Boosheid welt op. ‘Verdomme’ schreeuwt ze. ‘Verdomme, ik wil dit niet’Het begon allemaal met een kort telefoontje. Eerst laat hij me in de steek, nu mijn lijf en ook nog Max. Ik moet naar een dokter. Minoush zwijgt haar keel is schor. Wat valt er te zeggen? Hoe heeft dit zo kunnen gebeuren, mevrouw? Weet meneer waarom hij U niet meer wil? Dat is snel genoeg verteld. Ik ging te ver mee. Had me zo voorgenomen het niet meer te doen. Deze keer zou het een gelijkwaardige relatie zijn. Allebei evenveel geven en nemen. Kijk eens tot wat ik verworden ben? Een afhankelijk vrouwtje wachtend bij de telefoon of hij nog iets laat horen. Nee zo hoefde niet meer voor hem Ik geil niet meer op je. ‘t Is over, op, uit. Minoush roept nogmaals met haar schorre stem. ‘Help, me. Ik ben gevallen. Mijn been… Gewoon eraf gevallen toen ik tegen een steentje schopte. Help me dan toch?’

Max spits zijn oren, riep ze, hij slentert naderbij. Waar is het vrouwtje gebleven. Opeens ziet hij haar in het gras liggen. Is dit een nieuw spelletje? Hij zakt door zijn voorpoten en schud met z’n kop. Wil je spelen? Nee, toch niet. Met zijn tong likt Max het zout van haar wangen. Een zacht gekreun. Max gaat naast haar liggen poten gestrekt, oren gespitst op gevaar.

Haar ogen doen pijn, met moeite kan lukt het ze een ogenblik te openen. Het licht verblindt haar, ergens in het bonzende geluid in haar hoofd dringt en stem door.
‘Mevrouw?’
Maar de bonkende wolken drijven er weer voor. Een felle pijn in haar arm die zich snel verspreidt.
‘Max’ mompelt ze, ‘Max?’
‘Is dat Uw man?’ Vraagt een stem.
‘Max, nee, doe niet!’
‘Wat is er gebeurd, Mevrouw, wat mag hij niet doen?’

De wollige wereld drijft iets verder weg. Minoush probeert haar ogen open te houden. Door de spleetjes die haar oogleden haar toestaan ziet ze een witte jas. ‘Max’ zegt ze nog een keer.
‘Rustig maar. Mevrouw, U moet vooral rustig blijven liggen. Kunnen we Max waarschuwen voor U?’
Een hysterische lach scheurt zich los uit haar borst. Max met een eigen mobieltje aan zijn halsband; het moet niet gekker worden. Terwijl ze ligt de schudden van de lach grijpen twee stevige handen haar vast en drukken haar op de matras. Een tweede injectie wordt in haar arm gespoten.
‘Mevrouwtje, blijf liggen, u wilt toch niet uw kind verliezen?’
Minoush draait voorzichtig haar hoofd naar rechts om te zien tegen wie er gesproken wordt. Ligt ze niet alleen in bed? Maar een zwaar gevoel aan haar benen leidt haar af. Ze probeert een been te bewegen. Loodzwaar. Er gebeurt niks. Langzamerhand wordt het wat helderder in haar hoofd. Ze is gevallen, uitgegleden in het gras. Ze ruikt weer de modderige lucht vermengd met gras, het zachte gejank van Max. Hoe kom ik hier? Hoe laat is het?

De verpleegkundige komt op haar aflopen. De typische witte klompen klossen op de vloer, de witte jas spant om haar middel, haar gezicht staat ernstig. ‘De dokter komt zo met u praten. Denkt u dat U dat al aankan? Probeert u eens de ogen open te houden.’ De stem kwettert lang haar heen, ze wil weer wegzakken in de kussens. De vrouw buigt zich over haar heen en schijnt met een lampje in haar ogen. Minoush wil zich afweren, raak me niet aan.
‘Probeert u eens heel voorzichtig iets overeind te komen’.
Minoush gehoorzaamt als een braaf kind.
‘Hoe voelt dat bent U nog duizelig?’
‘Er zit een gat in mijn hoofd, het laatste wat ik me kan herinneren is die val en de eindeloze verlatenheid.’
Een koele hand ligt op haar voorhoofd, het voelt prettig en opdringerig tegelijk. Minoush sluit haar ogen weer en zakt kreunend achterover. ‘Ik laat u even liggen’ herneemt te stem. ‘Zoals ik al zei komt de dokter zo bij u langs.’

Vreemd, de voetstappen verwijderen zich weer zonder dat ze bij de andere vrouw stil blijven staan; die ene met het kind dat ze niet mag verliezen.