De steen

desteen1

Tussen het hoge gras vol late zomerbloemen staat mijn tent op een geplet stukje vlak bij de beek. In de beek liggen stukken rots die tot springsteen zijn verworden. Een stukje verder op is een hoog bruggetje. Mijn auto staat aan de overkant ervan, voldoende uit zicht om de idylle niet te verstoren. In de verte de bergtoppen, geen sneeuw, nog ruim onder de boomgrens, op de glooiende hellingen weides en open plekken. Zodra mijn tent stond ben ik gaan klimmen. Er lopen wat paadjes die ik van beneden kon zien. Steeds als ik dacht te verdwalen, buigen de bomen opzij en had ik weer uitzicht. Nu voert het pad me langs de rand van een kloof, een uitstekende boomwortel nodigt uit tot een pauze.  Voor mij laten drijven twee arenden, als zwarte schimmen, op majestueuze wijze op de thermiek. Een wajang spel voor de goden. Een verhaal achter een verhaal.

Op de grond liggen allerlei stenen tussen de halfrotte bladeren in een krullerige lijst van varens. Een steen valt me op. Scherp en rond tegelijk. Ik buk me en raap de steen op, mijn duim glijdt proevend langs de scherpe kant. Afgebroken stuk rots, slachtoffer van erosie?  De andere kant van de steen past precies in mijn handpalm, vlijt zich zacht tegen mijn huid. Het verwart me scherp en zacht, pijn en koestering? Ik hou de steen stevig  in mijn hand geklemd en kijk omhoog de arenden. Maar die zijn verdwenen, nu tekenen witte veren de lucht. Langzaam zakken mijn ogen naar beneden, langs de boomtoppen, de felgroene bladeren, soms hangt er al een gele of rode waas over, langs de weerbarstige stammen met hier en daar als een duveltje uit een doosje een jonge spruit. Door de bomen heen kijk ik naar beneden, daar ergens staat mijn tent.
Mijn tent is een geleend exemplaar, mijn eigen is kwijt geraakt tijdens de vlucht naar de Twin City’s; United zoekt er nog steeds naar. Het duurde me allemaal te lang en ik heb een kleine trekkerstent geleend van een collega van M. Zo’n nieuw model dat je makkelijk in je eentje kan opzetten, met een vast grondzijl. Dan word ik tenminste niet wakker drijvend op mijn matje, tijdens een nachtelijke stortbui.

Volgens de parkmeester is vrij kamperen beperkt toegestaan. Men ziet liever dat je op een campsite staat vanwege de beren. Het zijn er weliswaar niet veel meer, die zich onder de mensen wagen. Met enige regelmaat worden de campsites gecontroleerd. Blijkbaar hoorde hij iets in mijn stem, of was het mijn oogopslag en gaf me toestemming. Eerst tekenen natuurlijk, dat het op mijn verantwoordelijkheid plaatsvindt, als de dood als ze zijn voor lawsuits. Er kriebelt iets op mijn been, ik buk me om het eraf te slaan, een mier. Gelukkig geen teek! Als je goed kijkt zie je overal mieren die in colonne hun voorraad naar huis slepen. Een stuk blad, een kruimel en met man en macht een dode kever. De wind steekt op en strijkt langs mijn gezicht, mijn rechterhand met de steen ontspant zich, de steen valt, ketst af en rolt door. Zal ik of zal ik ‘m niet oprapen? Hamlet’s vraag. Ik wil nu geen vragen, ik ben hier gekomen om te genieten. Ik kijk om me heen, achter me de helling die ik net afgedaald heb en voor me in de verte het zilveren lint van de beek en veel verder een bruine vlek die het houten dak vormt van het wc-gebouw.

‘Wild kamperen’ grinnik ik.
Hoewel ik geen enkel bezwaar heb tegen nichten is de aanwezigheid van een kraan en douche, al is het een kwartier lopen, toch gewenst. In gedachten ga ik mijn bevoorrading na: voldoende fruit en brood om drie dagen door te komen. Hout is misschien wat krap, maar dat kan ik zo halen bij de parkwachter.

De vlammen likten gretig aan het droge hout aangevuurd door een flinke scheut spiritus en een handje vol snippers. Een geciviliseerd vuur, kort gehouden door de smeedijzeren korf. Zo eentje waar de tuincentra vol mee staan. M. kwam naar buiten met twee mokken in haar hand: ‘Heerlijk hè, nu nog een boomstam en een zitlap en de illusie is compleet.’
Ik nam de mok aan en blies voorzichtig op de warme chocolademelk. ‘Ik mis toch wat’  lachte ik ‘waar is die extra mok voor de leiding, met een scheut rum?’ M. kijkt me met een ondeugende blik aan.
‘Goed voor je jetlag zeker’ en trekt een heupfles uit haar zak.
‘Je wordt op je wenken bediend, dame.’ Ze loopt nog een keer naar binnen en komt terug met marshmallows op stokjes.
‘Het wordt tijd dat je de Amerikaanse manieren rondom een kampvuur leert kennen’.
Ik gruwel bij de gedachte aan die kleefdingen tussen m’n kiezen maar knik dapper.
‘Hoezo Amerikaans? Toen ik klein was aten we ze al bij de padvinderij tussen twee chocoladekoekjes? Daarna nooit meer gegeten’.
‘Hier eten we ze met Graham crackers dat is minder zoet’ verzekert M. me.

Zonder dat ik het door heb ben ik al halverwege het pad naar beneden, mijn knieën kreunen onder de steile afdaling. Mijn gedachten dwalen weer terug naar de vorige avond. Naar dat keurige vuur op het deck achter M.’s huis. De sfeer van vroeger kwam pas echt terug toen we bij de gitaar onze kampliedjes begonnen te zingen. Oude vertrouwde kameraden die je vullen met weemoed en doen verlangen naar iets dat er niet is. Kun je het verleden herhalen? Bijna hadden we het te pakken, bij John Anderson. Ik neurie de melodie zachtjes voor me uit, de vogels zwijgen en de wind houdt zijn adem in. John Anderson, my Jo John, we climbed the hill together… Het ultieme liefdeslied, wrang van verlies en tegelijkertijd zo teder als alleen een Schot dat kan dichten.
De tranen dringen zich weer in mijn ogen, ongeduldig veeg ik ze weg en concentreer me op de eik naast me. Niet nadenken, niet hier, ik moet nog zeker anderhalf uur dalen voor ik in mijn kamp bereikt heb. Gelukkig is het pad goed aangegeven. Omhoog heb ik hier en daar gedwaald maar ik ben een stuk vermoeider dan ik dacht, de pijlen zijn me welkom.

De tent is onaangeroerd. Een redbird hipt weg van mijn kampeertafel, waar hij zich te goed deed aan de kruimels van mijn haastige lunch. Jammer, een gevleugelde bezoeker was best welkom. Op het wiebelige klapstoeltje naast de tafel plof ik met moeite neer en begin mijn veters los te maken. Mijn tenen wriemelen en mijn benen genieten van de rust na gedane arbeid.

Tegen mijn droge verhemelte plakt mijn tong, ik slik, het helpt een beetje. Dorst. Thee? Het hout voor het kampvuur ligt klaar om aangestoken te worden, de haak van de theeketel staat al vast in de grond. Heb ik de moed? Nee, ik loop liever naar de auto om mijn petroleumbrander te pakken om sneller het water te warmen. Toch blijf ik zitten en staar zonder veel te zien naar het snel stromende water van de beek. Enkele irritante vliegen komen op mijn zweetlucht af, ik ben te sloom om ze weg te meppen. Opeens word ik overvallen door een overweldigend gevoel van verlies. De steen. Ik heb hem niet opgeraapt. Mijn hand voelt nog steeds naar liefkozing tot mijn duim scherp begint te prikken. Ik steek hem in mijn mond en zuig erop.

Dozen

dozenDozen, stapels dozen nog een keer, nog meer karton, piepschuim en bubbelplastic. Ik droom ervan en de dozen kruipen mijn geest binnen. Niet de inhoud die is goed en zorgvuldig uitgezocht uit de weelde van de overdaad bij Ikea. Maar die dozen spoken in mijn hoofd, zoveel moet bij elkaar gezocht worden, schroefjes tellen, kloppen de aantallen. Instructies, ontcijferen, vellen met pictogrammen die door de simpelste mens gesnapt moeten worden maar die voor mij de reinste abracadabra zijn. Linksom, rechtsom, ik schud mijn hoofd leeg en draai het kussen om, vlij mijn wang er tegenaan. Er zit een ribbel die precies op mijn jukbeen drukt, weer het kussen omdraaien. Ik ruik aan de sloop, lekker ze is nog bij me, Zodra ik mijn ogen sluit doemen die dozen weer op. Als reuzen sluiten ze me in, dringen me naar de muur, hij is hard tegen mijn rug, ik tast en bevoel het ruwe pleister met mijn vingertoppen, het brokkelt een beetje en sluipt onder mijn veel te lange nagels.

Nog dichterbij komen de onheilspellende pakketten, ik hap naar adem, verslik me, barst in hoesten los. Opeens klinkt een rauwe toon zoemend, net te lang om plezierig te zijn, dreinend als een kleuter die bij de kassa blijft zeuren om de snoepketting die daar zo verleidelijk is uitgestald. De toon wordt steeds luider, de dozen staan muistil, er zit nog zo’n drie centimeter tussen mijn blote enen en de dichtstbijzijnde doos. Lillången staat erop en een reeks codes die bedoeld zijn voor de kassajuffrouw, de expediteur en de botte Marokkaan die hem komt afleveren. Mijn hoofd barst van teveel geluid en stuitert in duizend kleine bolletjes over de vloer, rollen tussen de kieren door, over elkaar in de haast om weg te komen. Mijn romp leunt tegen de muur, stevig, al kan het zonder hoofd niks, geen beweging is meer mogelijk.
Het dekbed wordt met een ruk van me afgetrokken, en flits van blauwe ruitjes en een harde plof op mijn buik. ‘Mam, je moet opstaan! Ik heb honger!’

De rest van de dag is gevuld met het uitpakken van de keurig genummerde pakketten. De zakjes van dik plastic met de bijpassende schroeven en houten pinnen krijgt ik nauwelijks open. Probeer het met mijn tanden, zonder resultaat. Mopperend zoek ik een schaar in de overvolle keukenla. Er zouden er drie moeten liggen maar ik vind er geen, dan maar het aardappelschil mesje. Zorgvuldig snijd ik van me af, en schud de inhoud op het aanrecht om ze te sorteren. Vijf schroeven van 3 mm dik, daarna vijftien van 8mm. Wat merkwaardig die oneven aantallen. Een tafel heeft vier poten en de stoelen ook. Een gebroken paartje. Dat zijn wij ook, van vijf naar vier, wonderlijk even aantal in huis, als je de kat niet meerekent. Het beest laat zich niet vergeten en draait tussen mijn benen door, die denkt zeker dat ik aan het koken ben. Ik buk me om hem te aaien en dan schiet de droom weer door mij heen, hoe mijn hoofd eraf rolde en door de kamer stuiterde. Ik kijk van de kop van de kat naar het vlijmscherpe mesje in mijn hand. Heen en weer.

 

De prinses en de kikker

Kikkerkoning haalt de gouden bal voor de Prinses uit zijn put en komt nu zijn beloofde beloning opeisen.

‘Prinsesje, belofte maakt schuld. Jij hebt je bal terug gekregen. Je vader wist niet dat je hem verloren was. Je kostbaarste bezit is terug. Nu is het mijn beurt. Beloofd is beloofd. Of dacht je dat zo’n stomme kikker nooit naar het paleis durft te komen? Mooi mis gedacht. Ik moet toegeven dat het even duurde voor ik er was. Mijn kikkerpoten kunnen prima springen. Nu wil ik van je gouden bordje eten en uit je gouden bekertje drinken. Je zult er wel van griezelen. Kikkerbillen op je bord doen je het water in de mond lopen. Niet echter zolang er nog een kop aan vast  zit.’

‘Ja, meisje sta daar niet zo te rillen, til me liever op.’ ‘Nee niet, ook geen probleem. Dan spring ik zelf wel op tafel. Een prinses is ook maar een gewoon mens, die eet en drinkt. Je dacht zeker dat jou eten andere stervelingen niet zou smaken. Mooie koningin zul jij worden. Je weet niet eens te delen van wat je in overvloed hebt.’
‘Oh nee, is dat het niet het probleem? Schrikt mijn uiterlijk je af? Mijn glibberig vel is niet te vergelijken met jou perzikenhuidje. Iedere dag gepoederd door je hofdames. Mijn bolle ogen staan je niet aan? Staar ik teveel of zo? Ik zou er nog eens al het moois van afkijken. Ja dame, als je later groot bent zul je heel wat handen moeten schudden en wangen moeten kussen. Je kunt niet altijd van tevoren eisen dat ze schoon zijn.’
‘Dacht je me gewoon te slim af te zijn? Als prinses ik krijg altijd mijn zin. Ik hoef me niet aan mijn woord te houden. Een kikker kan me toch niet opzoeken in het paleis? Dan ziet het er droevig uit voor je onderdanen. Een koningin die haar beloften niet nakomt en met gevlei haar zin wil krijgen. Veel brood en spelen beloven. Geestelijk voedsel, Ho maar! Ach van verwende poppetjes zoals jij kunnen we geen initiatief verwachten. Jij hoeft je vinger maar uit te steken en er zit een ring aan. Nog voor je jouw mond geopend hebt vliegen lakeien op je af om hem te vullen.’

‘Nee mijn kind, met deze kikkerkoning heb je het slecht getroffen. Ik ken de klappen van de zweep. Nu kom ik mijn beloning opeisen. Wat zal ik genieten van deze maaltijd. Wat een heerlijk vooruitzicht om in je gouden bedje te kunnen slapen.’
‘Wat denk je wel vieze kikker, dat je mij de les kunt lezen? Ze noemen je toch niet voor niets de kikkerkoning? Je zult je wel met alle egards laten behandelen. Ik ben nu eenmaal een prinses de dochter van een koning en een koningin. Natuurlijk buigen de mensen voor mij. Mijn wil is wet.’ ‘Wat zei je nou? Wil je in mijn gouden bedje slapen? In mijn gouden wasbak zul je bedoelen! Griezelige groene glibber! Ach ja mijn kamer is wel erg groot en hoog. Mijn gouden bedje erg leeg.’

Meer lezen

De Trouwe Boekenkast

boekenkast1
Foto: Flickr

Sommige boeken staan rugloos in de kast, het patroon van het bindlinnen toont naakt. Andere boeken hebben een halve rug die hangt aan wat laatste draadjes. Stukgelezen boeken, gekoesterde lievelingen. Dik Trom leunt broederlijk tegen de De kinderen van de grote fjelt. Alle delen van het Kleine huis, met hun papieren jasjes, staan keurig op volgorde. Elk deel heeft  weliswaar een eigen kleur kaft, maar de tekeningen hebben gewonnen, de jasjes bleven aan. De kast is al talloze malen verbouwd. Dankzij het handige systeem van Lundia kan elke stapel nieuwe boeken er in. Alle frutsels die lege randjes sierden, zijn verdwenen om plaats te maken voor een dubbele rij. Agatha Christie’s, kleine engelse pockets, dunne goedkope gelijmde uitgaven vol ezelsoren zijn eerlijk gepikt uit de kast van opa. In het kleine kamertje naast de techniek, waar de bruggen en kronen gemaakt werden, mijn plek als ik kwam logeren. Van slapen kwam altijd weinig, veel te spannend om rond te dwalen door het grote huis. Na elk bezoek kwamen er een paar Christie’s mee. Opa en ik waren toch de enigen in de familie die zulke pulp lezen. Bijna compleet is de serie nu. Als felle stoorzenders staan de vier moderne Nederlandse uitgaven ertussen met nummers op de rug 4, 83, 15 en 39. Hoewel ze op de achterste rij staan, helemaal tegen de muur aan geschoven, steken ze er toch nog bovenuit.
Op de onderste plank staan de kerstbundels. Mooie prentenboeken van de Vier Windstreken en van Christofoor. Platen vol glitter en andere visuele effecten. Een mager deeltje, ooit tweedehands gekocht, is een kerstverhaal verteld door An Rutgers van der Loeff. Het speelt in het Duitsland van vlak na de oorlog. Bij de Oost-Duitse en Pruisische vluchtelingen die opgesloten zaten in barakken. Op school werd ons alleen geleerd dat Duitsland terecht de oorlog heeft verloren, maar nooit is er iets gezegd over het lot van de vele mannen, vrouwen en kinderen die hals over kop op de gevlucht waren voor de Russen en al hun bezittingen achter hebben moeten laten. Zij waren niet welkom bij hun eigen landgenoten, opvreters en landlopers.

Meer lezen

Brood met kaas

rapunzel1
Foto: Flickr

De zonnestraal zoekt aarzelend een weg over de vloer, laat de stofjes dansen en aait de muur. Daar spat het licht uiteen in regenboog van kleine flonkerende kristallen. Mira bukt zich en probeert de vonkjes te vangen met haar geopende handen. Ze dansen op haar witte huid, die des te scherper afsteekt tegen de donkere schaduwen op de kale muren van haar kamer. Het licht komt door een smalle spleet in de muur een metselfout die niet is weggepleisterd.

Ze beweegt zich, haar lichaam vloeibaar, met lome stappen bereikt ze de spleet die de zonnestralen toeliet. Weg zijn de speelkameraadjes het felle licht tekent haarscherp de contouren van haar magere ledematen. Haar lange vlecht sleept over de grond. Haar hoofd is zwaar van de vracht blonde haren. Mira trekt met haar voet haar stoel voor het raam. Haar vingers glijden langs de vlecht en blijven hangen bij de doffe plekken waar het haar broos geworden is. Mira trekt het elastiek aan het uiteinde los en maakt met de handigheid van jarenlange ervaring het haar los. De gespeten punten kriebelen in haar hand. Het haar kronkelt en golft over de leuning van de stoel. Mira masseert haar pijnlijke hoofdhuid.

Het noorderlicht wat zo geprezen wordt door schilders en hen tot grootse prestaties op zweept is koel en hard voor haar verlangen. Ze leunt achterover in haar stoel, de voorpoten wippen omhoog. Even hangt ze in een wankel evenwicht. De lucht staat stil. Alles houdt zijn adem in. Pats de poten raken de grond weer. Mira bukt zich om haar puzzelboekje en pen op te rapen. ‘Een werktuig van vijf letters eindigend op een –n.’ mompelt ze ‘schep, nee, dat zijn te weinig letters. Slechte gewoonte dat in jezelf spreken, dame. Verticaal dan maar. Naam voor een prinses negen letters. Mira past niet. Esmeralda.’

De klop op de deur ontgaat haar. Pas als het piepen luider wordt kijkt ze op. ‘Zo Jacob is het alweer thuis voor mijn lunch?’
‘Inderdaad, vandaag ben ik wat eerder dan anders; orders van beneden.’ Mira lacht maar niet van harte. Ze strijkt ongeduldig haar haren uit haar gezicht.
‘Zeg eens Jacob, wat zou jij doen als je voor de dertigste keer je antwoorden uitgegumd hebt en dezelfde kruiswoordpuzzel gaat maken? Gooi je het dan ook in de hoek? Kijk zo!’
Het gewraakte boekje vliegt rakelings langs de deur en stuitert de trap af. ‘Verdorie’ mompelt Mira ‘dat wilde ik ook weer niet.’
‘Kan ik U verder nog van dienst zijn? De ware Jacob knikt en doet buigend een stap achteruit. Zijn schoenen kraken, een stukje rode sok is zichtbaar onder het onberispelijke blauwe pak.
‘Vanavond staat spinaziesoep op het menu laat de kok weten.’
Deftig als hij is verlaat hij zonder verder op of om te kijken de kamer.
‘Oh, ja, Jacob er is iets dat je voor me mag doen. Ik zou graag wat papier willen hebben en een vergrootglas. Vraag maar aan die ouwe tang of dat toegestaan is.’
‘Zeker dame. Ik zal het doen’.
Mira steekt haar tong uit tegen de stijve rug die door de deur verdwijnt. De deur sluit zich achter hem, de sleutel wordt omgedraaid in het slot, de grendel ervoor geschoven.

Meer lezen

Brieven

brieven1Opa en Oma schreven elkaar, hij vanuit Batavia en zij werkzaam in Den Pasar. Die brieven hebben de oorlog overleefd, zijn tot een bundeltje aaneen gebonden meegegaan in de hutkoffer naar Holland. Oma oorlogsweduwe met drie zoontjes kwam in Scheveningen terecht. De koffer is steeds met haar meegereisd en uiteindelijk bij mijn vader in de kelder terecht gekomen. Ik zoek er al jaren naar niet die houten kist, ik weet precies hoe die eruit ziet. Zwart met ‘van dee’ er op geschilderd met slordige haastige letters. Het gaat mij om die brieven, ze zijn een symbool voor me geworden. Oma was ooit een dappere vrouw, de eerste vrouwelijke griffier aan de rechtbank. Niet dat mollige Indische vrouwtje met haarnetje en eeuwige etensluchtjes om haar heen. Opa is een foto. Maar die brieven zijn het bewijs dat ze van elkaar gehouden hebben. Als ik dan eindelijk toestemming heb om de kist uit de kelder tevoorschijn te halen is dat een haast magisch moment. De deksel gaat makkelijk openen wordt met een linnenband tegengehouden. De binnenkant van de kist is met spaanhoutjes bekleed, met officiële papieren vol stempels erop gelijmd. Er komt een onontkoombare tropische geur uit gemengd met mottenballen. Het bedwelmt me bijna. Mijn handen zoeken gretig tussen de stapels papieren. Er valt een briefkaart op de grond. Ik raap het op, het is een oude foto, met van die witte gekartelde randen, van een tuin. Ik draai hem om. Het is gericht aan Jantje van Dee, oude postweg in Batavia. De ‘jalan pos’ loopt dwars over het hele eiland Java en is een van de blijvende verdiensten van de Hollanders. Tegenwoordig is de weg continu verstopt met brommers, taxi’s, propvolle minibusjes en fietsen beladen met handelswaar. Langs de kant lopen kinderen in smetteloos witte overhemden en korte blauwe of donkerrode broekjes of rokken van hun school uniform. Sommige op blote voeten, maar de meeste hebben slippers aan, een enkel rijk kind draagt witte sokjes in haar dichte schoenen.

Het kriebelige handschrift is best lastig te ontcijferen en ook nog eens in Maleis geschreven. Een paar woorden op de kaart kan ik vertalen. Mijn opa heeft het geschreven. Was dit nog voor de oorlog? De kaart dwarrelt terug op de andere papieren en ik graaf verder, tot op de bodem. Maar nergens is een pakje brieven te vinden. Ze liggen er niet in! De schok is groot en ik laat me achterover op de koude vloer zakken. Tranen rollen over mijn wangen en ik doe niet eens de moeite om ze weg te vegen. Intens verdriet. Om alles. Om het gemis van Oma, die onbekende Opa en om de idylle die ik om hen heen gespannen had.