Toen Jonas in de walvis zat…

walvis

Jona 2, Mattheus 14: 22-33

Broeders en zusters,

Vanmorgen lazen we twee verhalen over land en water met de wind als de schurk die zulke hoge golven maakt dat het leven bedreigd wordt. Verhalen waarin land staat voor veiligheid, letterlijk de grond onder je voeten en redding en het water of de zee voor gevaar of de doodsnood, wanneer de grond onder je voeten weggeslagen wordt. Het moment waarop Petrus toegeeft aan zijn angst en waarop Jona overboord geslingerd is omdat hij probeert om aan zijn opgedragen taak te ontkomen. In de bijbel worden vaker de zee en het droge, het land tegenover elkaar geplaatst als de twee gebieden waar een mens op aarde mee te maken krijgt. Meer lezen

De eunuch uit Morenland

eunuch

 

Jesaja 56:3-8; Johannes 10:7-10; Handelingen 8:26-40

Zusters en Broeders,

Deze morgen kruipen we in de zwarte huid van een rijksambtenaar uit Ethiopië. In de kinderbijbel wordt hij de kamerling van Morenland genoemd omdat hij geen eigen naam heeft. In het Hebreeuws staat er eunuch, castraat. Dit verhaal gaat over een, om wille van de godsdienst, om wille van de politiek, onvruchtbaar gemaakte man. Het is waarschijnlijk gedaan, toen hij nog een kind was, voor hij recht van spreken had. Opdat hij zijn hoge stem zou behouden. Opdat hij de koningin niet zou lastig vallen, en zo al zijn energie zou gebruiken voor zijn taken aan het hof. Hoe dan ook, we kruipen vanmorgen in de huid van deze ont-mande.
Wij stappen in zijn levensverhaal, op het moment dat hij vertrekt uit Jeruzalem. Zijn pelgrimstocht had hem daar heen gebracht. Onze kamerling is een rijke, machtige persoon, hij is namelijk de schatbewaarder van de koningin van Ethiopië. Hij is naar de tempel in Jeruzalem gereisd om daar God te aanbidden. Hij is er echter meteen met een zweepslag uit verjaagd. Met al zijn machtsvertoon blijft hij maar mooi buiten staan, want hij is een castraat. Volgens de joodse tempelwetten zijn verminkten niet welkom in de tempel. Hij mag niet eens in de voorhof komen. Blijkbaar is het heil niet voor iedereen beschikbaar. Gedesillusioneerd reist hij terug door de woestijn van Gaza en leest onderweg in de boekrol van Jesaja die hij, als een souvenir, in Jeruzalem gekocht heeft. Meer lezen

Vlaggetjes planten

vieren

Jezus Sirach 1:1-10; Lucas 2:40 – 52

Zusters en broeders,

Het beeld staat nog steeds op mijn netvlies gebrand. Ik was in de Bijenkorf in Amsterdam met mijn tweejarige zoontje om een jurkje uit te zoeken voor zijn oudere zus. In die paar tellen dat ik me omdraaide om de juist maat te pakken, had hij zich uit zijn buggy gewurmd en was weggelopen. De aanblik van die lege buggy raak je als ouder niet meer kwijt. Dit verhaal kent gelukkig een goede afloop want deze jongen is opgegroeid tot een sterke slimme puber van bijna achttien, weliswaar met de littekens op zijn voorhoofd van de roltrap waar hij toen van afgevallen is. Hij blijft nu wel vaker langer weg dan afgesproken en dan slaat mij niet meer de angst om het hart zoals toen.

Dit is de tijd van het jaar dat kinderen afscheid nemen van de basisschool en soms ook van de zondagschool omdat ze daar te groot voor geworden zijn. Anderen hebben net hun eindexamendiploma ontvangen, trekken steeds verder de wereld in. Als betrokkene, dat kan zijn als ouder, oma, opa, leerkracht, vriend of vriendin blijft het belangrijk om steeds opnieuw te kijken naar waar zo’n jongere mee bezig is. Om daar werkelijk naar op zoek te gaan is niet altijd even makkelijk. Dat vraagt je om uit je eigen wereld te treden en je te begeven in zaken en ideeën die misschien niet de jouwe zijn. Want al lijken onze kinderen op ons, ze gaan hun eigen weg, volgen hun eigen hart.

Je losmaken van je ouders doe je idealiter wanneer je ergens tussen de 12 en 20 bent. Zelfs Jezus puberde, doordat Hij zijn eigen weg ging, op het moment dat Hij twaalf was geworden. Uit Lucas lazen we het verhaal van de twaalfjarige Jezus die in Jeruzalem achterbleef, terwijl zijn ouders alweer naar huis waren gegaan na het Pesachfeest. Drie dagen lang wisten zij niet waar Jezus was. Als ouder word je dan toch gek van angst? Zijn ouders vonden Hem terug tussen de leraren in de tempel, terwijl Hij naar hen luisterde en vragen stelde. Ik kan me de reactie van zijn moeder levendig voorstellen: ‘Kind wat heb je ons aangedaan? Je vader en ik hebben met angst in het hart naar je gezocht!’ De reactie van Jezus is in feite hetzelfde antwoord als tieners geven: ‘Hoezo? Waar maak je je druk om? Ik was gewoon aan het chillen met mijn vrienden.’

In Jezus woorden: ‘Waarom hebben jullie mij gezocht? Wisten jullie niet dat Ik bij mijn Vader moest zijn?’
Het zijn wat raadselachtige woorden. In het Grieks staat er letterlijk ‘de dingen van mijn vader’. Deze uitdrukking is vaak begrepen en vertaald als een aanduiding van de tempel als huis van God. Ik zou in deze context eerder denken aan Jezus’ toewijding aan Gods bedoeling met de mensen. Het zijn de eerste woorden die Lucas Jezus laat spreken in zijn evangelie. Lucas laat Jezus hier zelf de betekenis van zijn optreden benoemen. Maar zijn ouders begrepen deze uitspraak niet. Hoe bekend is deze ervaring niet, hoe vaak spreken wij niet dezelfde taal als onze kinderen, maar praten volledig langs elkaar heen.

Maria’s reactie hebben we eerder gehoord: Ze bewaarde alles in haar hart. Hiermee legt Lucas opnieuw de verbinding met het geboorteverhaal. Het relaas eindigt met ‘Jezus ging met hen mee naar Nazaret en schikte zich naar hen. Jezus werd een wijs en volwassen man, die steeds meer in de gunst kwam bij God en de mensen.’ Eind goed al goed, zou je kunnen zeggen als we niet beter zouden weten.

Meer lezen

Een andere visie op geweld

chagallRomeinen 13 en Mattheus 5

Zusters en broeders,

Regelmatig krijg ik een verzoek om mee te doen aan een enquête of via internet of door deel te nemen aan een gesprek. Soms doe ik mee als het onderwerp me interesseert en soms laat ik het aan me voorbij gaan. Een recent verzoek was of ik mee wilde doen aan een onderzoek over defensie. Blijkbaar had ik de testvragen niet goed beantwoord want ik werd niet uitgenodigd. Doopsgezinden en defensie zijn geen gemakkelijke gesprekspartners. Ik heb jarenlang namens onze Broederschap meegedraaid in een commissie die de protestante geestelijk verzorgers bij defensie bijstaat, dus ik heb een klein kijkje in de keuken kunnen nemen. Met enige regelmatig kwam daar het begrip rechtvaardige oorlog ter tafel. Toenmalig minister van defensie Van Middelkoop zag de missie in Afghanistan als een rechtvaardige oorlog. Want er wordt een hoger doel mee beoogd: indammen van geweld. Dat dit geweld ook geweld oproept daar wordt veel te weinig bij stil gestaan.

De vraag hoe je omgaat met oorlogsgeweld en de vele slachtoffers ervan staat dankzij het rapport over de MH17 en alle problematiek rondom asielzoekers weer hoog op de politieke agenda. De grote vraag blijft echter wat het juiste antwoord is wanneer je geweld wordt aangedaan? Daar ligt denk ik een belangrijke rol voor de kerken om zich te mengen in het publieke debat. Kunnen wij als Dopers onze visie op geweld en vooral op geweldloosheid en mogelijke verzoening, mooi verwoord in het Engels als just peace, gerechtvaardigde vrede, gehoord laten worden?
Terwijl ik deze zin opschreef moest ik denken aan een studieweekend jaren geleden.
Als onderdeel van de seminarie-opleiding hadden we een keer per jaar een studie-etmaal in Fredeshiem met zoals dat toen heette de eerste- en tweede-weggers samen. Ik weet niet meer precies wat het thema was van dit ene weekend. Toen wij de tweede dag aan het ontbijt zaten hoorden wij van een aantal docenten die de hele nacht naar CNN gekeken hadden dat de Golfoorlog was uitgebroken. Irak was Koeweit binnengevallen. Een aantal studenten zouden de komende zondag moeten preken. We hebben de rest van de dag besteed aan de vraag, hoe ga je hiermee om in je gemeente. Wat zeg je? Welke teksten kies je voor je overdenking. Hoe sta je tegenover dit oorlogsgeweld?

Meer lezen

Zomertuinen aan zee

zomertuinJesaja 35:1-10 en Marcus 7:31-37

Zusters en broeders,

Stelt u zich voor dat u luistert naar de sombere stem van een nieuwslezer: Rutte betreurt gevoel van miskenning van Indische Nederlanders, Libanese moslimleider opgepakt, zeker 40 migranten omgekomen op de Middellandse zee, ongeluk met Nederlandse bus op Franse snelweg. En dan opeens klinken woorden van het lied van een nieuw begin: Leliën draagt de woestijn, Rozen dragen de rotsen. Lente staat op je drempel. Aankomst van onze God.

Zo’n grote overgang maakt het bijbelboek Jesaja. Te midden van geruchten over oorlog, beelden van totale verlatenheid en in Jesaja 34 de woede van God, tegen alle volken: de wateren van Edom worden pek, zijn grond verandert in zwavel, het land wordt een grote pekoven … Dan zonder een adempauze of een overgang doorbreekt Jesaja 35 de wanhoop en verwoesting. Er klinkt opeens een stem die in poëtische termen een visioen schetst, het is niet duidelijk wanneer dit zal gebeuren: het is in de toekomst en tegelijkertijd ook in onze tijd. De woestijn zal zich verheugen! Dat is het volkomen tegendeel van een land dat verandert in zwavel en pek.

Dat eerste woord is meteen een veelzeggend woord. De woestijn. In het lied dat we gezongen hebben klonk het als de steppe zal bloeien, en bij een steppe zie je toch al wat gras en dieren voor je, de woestijn is een veel doodser beeld. De plaats waar die zomertuinen aan zee zullen ontstaan wordt bij name genoemd en onmiskenbaar: in de woestijn, in de woestenij. Dat is geen toeval. Gods komst en de belofte van zijn toekomst vindt plaats te midden van elk menselijk tekort, van eenzaamheid en verlatenheid.
De woestijn heeft verschillende betekenissen voor Israël. Het is zowel de plek om heen te vluchten, als een plaats van bevrijding. Genesis en Exodus. Het is bevolkt met gevaarlijke dodelijke dieren. Water is er schaars en het land onvruchtbaar. Het is weids, leeg en je kan er makkelijk verdwalen. In Psalm 107staat geschreven: soms doolden zij door de woestijn maar een weg in de wildernis, een stad, een woonplaats vonden ze niet. Ze riepen in hun angst tot de Heer – Hij heeft hen bevrijd uit vele gevaren.
Want dat is de andere kant van de woestijn, het is een plaats waar de mensen leren vertrouwen op God. Hij gaf hen manna te eten en water uit de rots. Daarom zingt Jesaja’s woestenij een lied van een nieuw begin. Leliën draagt de woestijn, rozen dragen de rotsen. Hij slaat bronnen, ontbindt tongen, zangen, rivieren. Water welt aan je voeten en geen leeuw op je weg. Kromme, jij wordt recht. Woeste, jij wordt een akker. Wat geen woorden vermogen, Aarde, vrede zij u.

De aarde viert de gift van het leven. De droge dorre aarde zal net zo glorieus gaan bloeien en overvloed bieden als Gods genade voor de mensen. Het zal een openbaring zijn van Gods goede bedoelingen en zo wordt God zichtbaar voor ons, zegt Jesaja.  Dan veranderen zijn woorden van het futurum, naar de tegenwoordige tijd, de blik verschuift van de aarde naar de mensen die daarop lopen. Van dorre grond naar zwakke en angstige lichamen, en van groen en groei naar moed en kracht. Vanuit het visioen worden de mensen erbij betrokken: Bevende harten vat moed, strek je, slapende handen. Dove oren, ga open. Wankelmoedigen, hoort.
Jesaja geeft zijn toehoorders en ook ons, deze gemeente, een opdracht. Hij toont een paar handen die bibberig geworden zijn, zacht en week van ledigheid. Ze beven zo dat ze niets meer vast kunnen houden en kunnen niet langer het werk doen waarvoor ze bedoeld zijn. De opdracht is maak je handen sterk! Recht je rug, God geeft ons een paar knieën die je overeind kunnen houden en je niet laten struikelen. Wie staat zo stevig en gaat zijn eigen weg?

Meer lezen

Worstelen en zegenen

Genesis 32:22-33 en Mattheus 5:14-16

zegenenZusters en Broeders,

Toen zei de ander: ‘Laat mij gaan, het wordt al dag.’ Maar Jakob zei: ‘Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent.’

Zijn vrouwen, kinderen en dienaren en al zijn bezittingen zijn al door Jakob de rivier overgezet. Nu is hij weer terug gegaan naar de overkant en staat daar aan de oever met lood in de schoenen. Wat er lang geleden tussen hem en zijn bedrogen broer Esau is gebeurd, is nog nooit uitgepraat, noch vergeven en laat staan vergeten. Jakob heeft jaren geleden de zegen als eersteling afgetroggeld van zijn oudere broer Esau. Nadat zijn list om deze te verkrijgen gelukt was, is hij naar zijn oom Laban gevlucht en daar gebleven. In Genesis 32 staat hij op het punt na al die jaren de eerste voetstappen weer te zetten in het land Kanäan. Hij heeft besloten dat hij zijn broer nu niet langer kan ontlopen en tegelijk ziet hij vreselijk tegen een ontmoeting op. Hij stuurt boden vooruit om zijn broer vergeving te vragen, hij stuurt geschenken vooruit om zijn broer gunstig te stemmen en tenslotte stuurt hij vrouwen en kinderen, als gave maar ook als buffer tussen hem en zijn broer. Ja, uiteindelijk zal het allemaal mee blijken te vallen, Esau zal Jakob opnieuw z’n broer noemen en blij zijn hem terug te zien, maar dat weet Jakob niet als hij aan de Jabbok staat. Daarom zette hij eerst zijn familie over de rivier de Jabbok heen, en blijft zelf alleen achter in het donker.

En dan grijpt een onbekende hem vast. Jakob worstelt de hele nacht met die vreemdeling.

Toen zei de ander: ‘Laat mij gaan, het wordt al dag.’ Maar Jakob zei: ‘Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent.’

Gezegend worden is blijkbaar iets waar Jakob zo veel waarde aan hecht dat hij, ook al lijkt hij in het gevecht aan de winnende hand, de ander vasthoudt totdat hij gezegend is. Een zegen in Genesis is altijd een zegen waarin de hand van God zichtbaar, voelbaar en ervaarbaar is. Dus vraagt Jakob aan de ander om een zegen van God. Dat is een heel andere zegen dan hij eerder listig verkreeg van zijn vader, waarmee hij het eerstgeboorterecht van zijn broer Esau aftroggelde. Het lijkt erop dat het verkrijgen van de zegen voor Jakob nu zo belangrijk is, omdat het hem de kracht geeft om zelf definitief de Jabbok over te kunnen steken en terug te keren naar Esau en zijn familie. De Jabbok is op zich geen indrukwekkende rivier, maar fungeert in het verhaal vooral als een grens tussen het gebied zónder Esau, en het gebied mét Esau. Het is de scheiding tussen eenzaamheid en betrokkenheid.

Jakob was iemand die zich ophield aan de grens van wat wel en niet geoorloofd is, hij ging daar ook wel eens overheen; pootjehaker, hielenlichter is zijn naam. Maar tegelijk zegt iets, zegt iemand in hem dat het ook anders kan en anders moet: een leven zonder list en bedrog, een leven zonder vreemdelingschap, een leven in nieuwe verbondenheid. En dat perspectief drijft hem voort en brengt hem nu opnieuw aan een grens, de grens van het land waar een mens mag zijn zoals ie ten diepste is bedoeld. Maar nog steeds moet de Jabbok wel worden gepasseerd. Dan zal het ook lichter worden, om hem heen en in hemzelf, want nu is het nog donker, nu is het nacht.

Een opvallende constatering is namelijk dat in het verhaal waarin Jakob Esau, zijn familie en zijn land verlaat, de zon ondergaat bij Betel. Dit moment bij de Jabbok wordt voor het eerst weer gesproken over een opgaande zon. Dit is een motief waarmee de verteller van het verhaal duidelijk maakt waar Jakobs plek is, namelijk daar waar de zon opgaat, en dat is te midden van zijn familie en in zijn eigen land.

Meer lezen

Het is al aan het ontkiemen… zie je het niet

IMG_2938

Preek van 13 december 2015
Jesaja 43:14-21; Lucas 1:67-80

Vanmorgen is het de derde zondag van Advent, zondag Gaudete, zondag verheugt u. Vorige week was het heel toepasselijk, op de dag na Sinterklaas, de zondag van vol verwachting klopt ons hart. Van verwachten naar verheugen is nog een hele stap. Wees niet bang, zo zegt Jesaja ons vanmorgen, wees niet bang om die stap te wagen. Dat is niet zomaar een kreet. Want de mensen tot wie Jesaja zich richt, zitten in een diepe geloofscrisis. Jaren geleden was het alweer dat Jeruzalem was verwoest. Het volk was gedeporteerd naar Babel. Ze hadden geprobeerd het geloof vast te houden. Maar door de jaren heen was er toch een zekere matheid en moedeloosheid over hen gekomen. Zeker, ze kenden Gods daden van verlossing. De uittocht uit Egypte … doortocht door de woestijn … intocht in Kanaän … De verhalen waren hen van jongs af aan bekend. Maar… Het lukte hen niet meer om moed te putten uit het verleden. Ze konden er alleen nog met weemoed aan terugdenken.
Het is veel makkelijker geworden om te jammeren en te klagen dan om zich te verheugen en te zingen: ‘Ja, vroeger, toen deed God nog grote daden …’ Toen deed God nog wonderen. Toen was Hij machtig genoeg om ons te redden. Nu niet meer… Ze hadden God dus als het ware opgesloten in het verleden. In de periode van de uittocht uit Egypte. De bloeiperiode van het koningschap van David. Maar dat was vroeger. Lang geleden.

En opeens krijgt Jesaja de geest en hij spreekt namens God deze machteloze en mismoedige mensen toe:
‘Blijf niet staren op wat vroeger was.
Sta niet stil in het verleden.
Ik, zegt Hij, ga iets nieuws beginnen
het is al begonnen, merk je het niet?
Ik, God maak iets nieuws! Ik was er niet alleen vroeger. Ik was er niet alleen voor jullie grootouders en voor generaties daarvoor. Ik ben er ook vandaag. Verheug je op iets nieuws!’

Op een wel heel wonderlijke manier begint God opnieuw. Hij baant een weg door de wildernis. Nu niet de weg door de bloeiende woestijn, maar de weg naar huis, vanuit Babel terug naar Israël. En let op! Het gaat verder dan dat, er is niet alleen sprake van terugkeer, er is juist sprake van ommekeer. God denkt niet langer aan de dingen die geweest zijn. Hij kiest voor een volstrekt nieuwe inzet. Bevrijding door vergeving leidt tot vernieuwing. Diezelfde woorden klinken later uit de mond van Johannes wanneer hij als roepende in de woestijn de mensen voorbereidt op de komst van Jezus.

Meer lezen